is het Passend Onderwijs ‘failliet’?

is het Passend Onderwijs ‘failliet’?

Terug naar Nieuws | Gepubliceerd op:

Elk kind een passende plek op een school, die past bij hun kwaliteiten en hun mogelijkheden. Passend onderwijs, dat ervoor moet zorgen dat elk kind het best uit zichzelf haalt. Scholen bieden extra hulp aan leerlingen die dit nodig hebben, zoals kinderen met leer- of gedragsproblemen. Naar een gewone school als het kan, pas naar het speciaal onderwijs als echt intensieve begeleiding nodig is.

 

Hier was het om begonnen bij de invoering van de Wet passend onderwijs op 1 augustus 2014. In de jaren voor de invoering zag de overheid het aantal leerlingen met een rugzakje en het aantal leerlingen in het speciaal (basis)onderwijs jaarlijks groeien. Een gevolg van het ontbreken van een duidelijke maatschappelijke visie op onderwijs. Zoals we daar ook andere symptomen van zien: een verbreding van achterstanden, onbetaalbare jeugdzorg, ontoelaatbare werkdruk, buitenproportioneel lerarentekort, schoolresultaat centraal, verplicht lerarenregister, herziening bekostiging, fusietoets, stimulerende budgetten, impuls-subsidies, et cetera. “Visie koop je bij de opticien”, zei Mark Rutte eens. Joop den Uyl en Jos van Kemenade dachten daar destijds anders over. Juist vanuit een visie op maatschappij en onderwijs hebben zij iets voor de samenleving in de steigers gezet.

De groei van leerlingen met een rugzakje en de verwijzing naar het speciaal onderwijs moest een halt worden toegeroepen. Een onbetaalbaar (zorg)systeem dreigde te ontstaan. De uitvoering van passend onderwijs werd in handen gelegd van regionaal samenwerkende schoolbesturen. Landelijk vormen zij ongeveer 75 Samenwerkingsverbanden (SWV) voor het basisonderwijs en 75 SWV-en voor het voortgezet onderwijs. Onder het mom van “de mogelijkheden en de onderwijsbehoefte van het kind zijn bepalend en niet de beperkingen”, kregen de SWV-en een budget en de opdracht het passend onderwijs te organiseren. Zoals zo vaak hebben de gezamenlijke schoolbesturen, onder verleiding van autonomie en zelfbeschikking, de opdracht aanvaard. De eerste jaren hebben besturen hun energie gestoken in de organisatie van SWV-en, het verdelen van het budget, de zorg voor expertise, organisatie van zorgplicht, de bestuurlijke zeggenschap en de afstemming met jeugdzorg en gemeenten. Allemaal bestuurlijk gedoe waar kinderen en ouders niets aan hebben.

Gelijktijdig hebben de SWV-en een ondersteuningsplan geschreven. Een plan waarin de beoogde basisondersteuning op de reguliere scholen en de toelaatbaarheid tot het speciaal onderwijs nader is uitgewerkt. De wonderolie om het plan vorm te geven, was de professionalisering van leerkrachten. Een vrijblijvende opdracht die schoolbesturen elkaar hadden gegeven onder het motto ‘de lat moet omhoog’. Het ver(der)gaand bekwamen en professionaliseren van leerkrachten zou leiden tot kansen voor zorgleerlingen op de reguliere school en daarmee tot minder verwijzingen naar het speciaal onderwijs. Sommige SWV-en hebben – zonder te kijken naar het hoe of waarom – financiële sancties doorgevoerd voor schoolbesturen die meer dan gemiddeld verwijzen naar het speciaal onderwijs. Daarnaast hebben gemeenten zelfstandige centra voor jeugd ingericht en zijn ze verantwoordelijk geworden voor de jeugdzorg.

De invoering van passend onderwijs heeft op scholen een ontwikkeling in gang gezet. Het speciaal onderwijs is meer gaan werken vanuit één loket met een aanbod op maat binnen doelgroepen voor iedere zorgleerling. Daarnaast is het speciaal onderwijs zich nog meer gaan specialiseren in de complexere zorgleerlingen. In eerste instantie hebben veel reguliere scholen de deuren (te) ver opengezet voor zorgleerlingen. Maar we zien dat scholen daar op terugkomen gezien de toename van verwijzingen naar het speciaal onderwijs. Scholen en leerkrachten zijn zich bewust geworden van hun grenzen in de mogelijkheden van passend onderwijs. Besturen hebben centraal expertise georganiseerd, van bijvoorbeeld orthopedagogen en ambulant begeleiders. Deze expertise was in eerste instantie bedoeld om scholen te ondersteunen bij de uitvoering van passend onderwijs, maar richt zich nu steeds meer op de grenzen en daarmee de verwijzing van zorgleerlingen naar het speciaal onderwijs. De gevolgen van dit alles: het aantal leerlingen dat speciaal onderwijs volgt groeit weer. Scholen worden kritischer in de toelating van zorgleerlingen om handelingsverlegenheid te voorkomen. Het budget van de SWV-en wordt meer en meer ingezet om de groepsformatie (aantal klassen) op een school te bekostigen. De professionalisering van leerkrachten - hoe om te gaan met zorgleerlingen- krijgt onder druk van de administratieve last steeds minder aandacht. En de gemeenten ‘dreigen te verzuipen’ in de organisatie van jeugdzorg, waardoor de afstemming met SWV-en achterblijft.

Al met al durf ik te concluderen dat het passend onderwijs en in het bijzonder de zorgleerlingen waar het om begonnen was, niet echt beter zijn geworden van de invoering van passend onderwijs. Voor de zorgleerlingen is het passend onderwijs al een tijdje ‘failliet’ en het wachten is nog op het onderwijs. Het budgetteren van zorg via SWV-en en gemeenten heeft met name een financiële oplossing voor de overheid gebracht. Wellicht was het daar ook om begonnen?

Jaap Hansen

Stichting Openbaar Onderwijs Oost Groningen